Snelmenu

Goede calamiteitenberichtgeving, een gedeeld belang

Verslag Herman Spinhof
Een chemische brand, kettingbotsingen, verkeersinfarct, een catastrofe met een monster truck, regionale omroepen waren erbij. Het afgelopen jaar zijn regionale omroepen veelvuldig betrokken bij incidenten waaruit blijkt dat een goede berichtgeving een gedeeld belang is voor omroep, publiek en bevoegd gezag. 

Wat kunnen we leren van de afgelopen ervaringen? Onder leiding van Leo Hauben (hoofdredacteur L1) zullen Anne-Marie van het Erve (directeur Inconnect), Jos Stierhout (algemeen directeur Veiligheidsregio Noord-Holland Noord), Lucas Boltius (burgemeester van Amersfoort) en Henk Lemckert(directeur/hoofdredacteur Omroep Brabant) hun visie geven op de rol van burgemeester, de Veiligheidsregio, de regionale omroep. Daarnaast zullen ze aanbevelingen doen voor een goede berichtgeving bij calamiteiten.

Wel of geen omroepmedewerker bij het crisiscentrum? Hoe zit het met de vrije nieuwsgaringstaak en staat die niet op gespannen voet met de rampenzendertaak? Is er voldoende onderling vertrouwen tussen omroep en overheid? Kan het convenant naar het omroepmuseum of is een rampenzender toch nodig? Oefenen en bij elkaar op bezoek gaan, blijkt een positieve uitwerking te hebben.

‘Veiligheidsregio’s en regionale omroepen hebben elkaar nodig. Er is geen behoefte aan competenties tussen instellingen bij calamiteiten. Mensen willen weten wat er aan de hand is. Wat ze moeten doen en wat betekent dit, de duiding die de burgemeester geeft bij calamiteiten.’ Dat is de stelling van Jos Stierhout. ‘Er moet tussen de verschillende betrokken instellingen samengewerkt worden ook in de voorbereiding. Het gaat er tenslotte om aan mensen op het juiste moment de juiste informatie te verstrekken. ‘Wij’, de veiligheidsregio en de regionale omroep zijn dan ook partners. Daarin past niet om te zeggen: ‘dit is een boodschap van de overheid’. We moeten elkaar bij kleine en grote incidenten en rampen weten te vinden. Ieder speelt daarin zijn eigen rol en dat doe je door elkaar te respecteren. We moeten van elkaar weten, wat zijn rol is en waar je welke informatie vandaan kan halen. Dat moet je oefenen. ‘Ik vergelijk het weleens met oorlogsverslaggeving. De hulpverleners staan bij een incident met hun rug naar de samenleving een brand te blussen of hulp te verlenen. En zien hoe de samenleving daarop reageert.’ De regionale omroep heeft goed door wat er speelt in de samenleving. Dat is de rol en positie van de omroep. In onze regio oefenen we daar regelmatig op met ‘echte’ persconferenties en ook brandweeroefeningen. Onze voorlichters gaan op bezoek bij RTV Noord-Holland om te zien hoe dat daar werkt. Dat is niet altijd makkelijk, zeker niet als er – door je partner - kritiek wordt gegeven op de hulpverlening in een reportage of stukje. De omroep heeft ook de taak van vrije nieuwsgaring. Dat kan weleens tot spanningen leiden. Hoe vaak oefenen jullie? De voorlichters van de veiligheidsregio komen twee tot drie keer per week ’s nachts hun bed uit vanwege een incident en dat is in feite ook al een oefening voor grotere. Grotere oefeningen met de omroep zijn eens in de twee maanden. 

Een medewerker in de zaal van Radio West geeft een voorbeeld van een rapport dat door de brandweer was opgesteld over een scheepsbrand in Scheveningen en daarin stond nogal wat kritiek op de brandweer. Dat had Omroep West naar buiten gebracht en de brandweer vond dat niet leuk, omdat de omroep alleen de kritiek belicht had en niet de positieve punten. Dat leverde wat spanningen op. Stierhout: ‘de vraag is ga ik zelf de boodschap communiceren als zo’n rapport is opgesteld, of ga ik wachten tot de journalisten ermee komen? Als je zelf niet reageert en de regie niet in handen houdt, dan word je gefileerd. Als er slecht nieuws is moet je de eerste zijn, dan kan je zelf ook de duiding geven.’ Met de regionale omroep heb je een andere band, aldus Stierhout, dan met andere media, omdat het de calamiteitenzender is.

Stelling van Anne-Marie van het Erve: ‘Rampenzender kan naar het omroepmuseum’.  De tijd van telex, Uher-recorder en fax is voorbij. De calamiteitenzender is niet mee gegaan in de tijd. Het convenant, zoals dat ooit (2010) is opgesteld is achterhaald. De wijze van communiceren is veranderd. Twitter, Facebook en andere social media worden gebruikt om elkaar te informeren. Doelgroepen in een crisis worden gevormd door de mate van betrokkenheid. Slachtoffers, familie en bekenden van slachtoffers, andere benadeelden, bewoners. De betrokkenen communiceren ook met elkaar via Twitter, telefoon. Die versterken de verhalen onderling of zwakken ze af. Overheden wijzen we er ook op dat je je op de betrokkenen moet richten met je communicatie. Vraag je af: wie hebben er last van en richt je daarop. Bij de crisis in Haren was een van de in totaal vijf (!) tweets die de overheid stuurde een antwoord  op een tweet uit Brabant. Was dat nu de meest betrokkene? De vraag is moet de overheid via de calamiteitenzender berichten versturen of via hun eigen twitter-account of website? 

Repliek vanuit de zaal, medewerker RTV Rijnmond: ‘twitter en andere social media en telefoon vallen nogal eens uit of raken overbelast tijdens calamiteiten. Radio valt nooit uit. Ook als de stroom uitvalt wordt radio goed beluisterd via transistors (omroepen draaien dan op noodaggregaat). Juist in dat oerwoud van aanbod van twitter-accounts, websites en andere social media biedt radio een houvast omdat het nog steeds een grote groep mensen bereikt.’ 

Leo Hauben: Radio heeft een groot bereik. Waarom zou je rampenzender dan af willen schaffen? Heeft er iemand van jullie omroepmedewerkers wel eens een fax gekregen van een burgemeester van dit en dat ga ik voorlezen? Bij omroep Flevoland is dat weleens gebeurd, aldus directeur/hoofdredacteur Allard Berends. Voor mij is een rampenzender wat in de wet (convenant) staat. Daarnaast heb je je journalistieke taak. 

Hauben: wij hebben nog nooit een fax gehad. Wel een convenanten afspraak gemaakt waarin we hebben afgesproken vanaf het moment dat wij calamiteitenzender zijn krijgen we één voorlichter toebedeeld die exclusief voor ons beschikbaar is en niet alle andere media te woord moet staan. Die voorlichter is verplicht om elk kwartier een update te geven van de situatie op de zender. Dat werkt goed. 

Jos Stierhout: ‘als het tijdens een incident of ramp allemaal goed gaat is de status van rampenzender niet nodig. Maar er kan zich een moment voordoen, waarbij je als overheid toch de rampenzender moet opeisen om je eigen boodschap door te geven. Ik wil dan ook de rampenzender niet afschaffen.’

Stelling burgemeester , Lucas Boltius: ‘jonge mensen worden nooit bereikt met een calamiteitenzender.’ Jonge mensen vinden hun weg via twitter en andere social media als ze geïnformeerd willen worden. De vraag is met welke boodschap zou je een bepaald middel gebruiken, wat wil je bereiken? Hij geeft een voorbeeld uit de tijd dat hij als reporter bij RTV Rijnmond werkte en er een oefening was. Op de persconferentie met burgemeester Peper stelde ik een vraag in het Engels, die Peper beantwoordde met een heel pr-verhaal in het Engels over Rotterdam als wereldhaven, waar op zo’n moment natuurlijk geen tijd voor is. Mensen willen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten doen. Ook al ben je rampenzender, je blijft ook nieuwszender. De burger verwacht dat ook: die wil op de hoogte gebracht worden over wat er gebeurt en wat die moet doen. De snelheid van de informatie die over sociale media gaat, dat kan de overheid per definitie niet bijhouden. Als de overheid mededelingen doet, moeten die 100 procent kloppen. Het is ouderwets dat je officiële mededelingen van de overheid zal doen. Op het moment dat de wisselsystemen bij station Utrecht uitvielen, gingen mensen via twitter hun eigen weg zoeken, en vonden een slaapplek bij kennissen of namen een andere route. Zonder officiële mededelingen. Niet dat massamedia daardoor overbodig zijn geworden. Nee. Burgemeesters zijn steeds meer met communicatie bezig, ook of juist buiten rampensituaties om. In het gewone dagelijkse leven. Als een week na Haren Amersfoort aan de beurt is, dan zit er een heel team professionals klaar om te ondersteunen voor de berichtgeving en het analyseren van berichten op sociale media. Voorbeeld van een moordgeval van een moeder die een zoon heeft vermoord in Amersfoort. De media brachten dat het gezin uit twee kinderen zou bestaan omdat de buren dat gezegd zouden hebben. Wij wisten voor 100 procent zeker dat het gezin slechts één kind telde. Wat ga je dan doen? Een officiële mededeling doen? Wij belden op met de mededeling willen jullie dat eraf halen, want dat klopt niet. Je moet kortom continu keuzes maken wat je gaat doen en hoe je iets aanpakt. Je moet redeneren vanuit het multimediale pakket, welk middel zet je waarvoor in en met welke boodschap. Je moet je realiseren dat de jeugd niet meer de radio als informatiemiddel gebruikt. Nieuwe systemen moet je bijhouden.

Wat doe je als journalist: de overheid zegt er is één kind in dat gezin of geloof je de buren die zeggen het zijn er twee? Verdeelde reacties in de zaal. ‘Je kan het allebei brengen met de bron er bij te vermelden. De overheid zegt dit, de buurman dat. Wie weet heeft de buurman toch gelijk en betreft het een illegaal kind.’ Dilemma van Boltius: als burgemeester kan ik niet alles zeggen vanuit het oogpunt van privacy. Terwijl media daar al over bericht hebben mag ik dat niet zeggen. Met dat dilemma zit een burgemeester ook tegenover een gemeenteraad

Stelling Henk Lemckert: Altijd een omroep medewerker aanwezig bij het communicatiecentrum om de informatievoorziening aan de burger maximaal te borgen. Dat heeft alles te maken met 5 januari 2011 de Moerdijk-Chemie-Pack-brand. ‘Even na drie uur ’s middags werden we gebeld of we wilden fungeren als rampenzender, dat was tot aan elf uur ‘s avonds ook het laatste contact dat we hadden.’ 'Burgemeester Denie van Moerdijk heeft ons nooit te woord gestaan, wel de Belgische collega’s want die kwamen van ver.’ Op de avond van de brand zijn de taken van Denie overgenomen door de burgemeester van Breda, vanaf dat moment ging het beter. Maar het kwaad was al geschied: wij hadden uren en uren in de wacht gestaan. Er kwam niks officieels van de overheid, geen mededeling niks. Wij communiceren via onze eigen kanalen werd er gezegd: gemeentewebsite en crisis.nl (www.nl-alert.nl was er nog niet). Dat is ook een punt: de overheid moet duidelijk zijn welk medium ze gebruiken in geval van crisis. Niet eerst crisis.nl en dan NL-alert of de regionale omroep. Dat is verwarrend. Terwijl Brabant in het ongewisse bleef door het warrige optreden van de gemeente, liep het aan de andere kant van de Moerdijkbrug bij Rijnmond veel beter. Het was dezelfde brand, ‘onze’ brand. Dat kwam omdat er een medewerker van RTV Rijnmond bij het crisiscentrum daar zat. Die wist van de hoed en de rand en kon de luisteraars goed informeren over de stand van zaken. We zijn nu in gesprek hierover met de drie veiligheidsregio’s in Brabant en ook dat niet alleen radio maar ook televisie en internet ‘rampenzender’ wordt in voorkomende gevallen. 

Kort na de ROOS Dagen kwam RTV NH in actie als calamiteitenzender bij de grote stroomstoring in Noord-Holland. Een interview hierover met de hoofdredacteur Bart Barnas is hier na te lezen.