Snelmenu

Jack de Vries, voorzitter van het ROOS-bestuur, opende de ROOS Dagen 2017.

‘Rust is er nog niet bij de regionale omroepen. Vorig jaar hebben veel veranderingen plaats gevonden, maar rust is er niet. Er vinden veel reorganisaties plaats hoor ik van de directeuren met persoonlijke gevolgen voor medewerkers. We staan aan de vooravond van een nieuw kabinet. We kijken terug op een mooie verkiezingscampagne met aan het begin een debat in het noorden en aan het eind een in het zuiden. De premier zei: ‘het populisme heeft niet gewonnen.’ De onvrede in de samenleving is echter niet weg. De politiek moet daar wat mee doen. Hoe zit het met jongeren die geen baan krijgen, die - in hun beleving - door Polen worden ingenomen? Dat is een opdracht van de politiek, maar ook een opdracht van de journalistiek. Het gaat erom om de juiste feiten te brengen, facts te checken. Burgemeesters hebben een oproep gedaan om meer te investeren in lokale journalistiek en lokale omroepen. Wat doen regionale omroepen op lokaal niveau? 

De Persgroep (eigenaar van o.a. de voormalige Wegener-kranten) en Mediahuis (NRC, De Limburger en TMG) investeren in online-projecten. Regionale omroepen zijn de beste en betrouwbaarste bronnen van regionaal nieuws, volgens onderzoek Motivaction. Reclamegeld loopt achteruit op radio en tv. Meer in social media investeren: jammer is dat de online-advertentie-inkomsten voornamelijk naar Google en Facebook gaan. Misschien moeten we reclamevrij zijn en moeten we die discussie aangaan? Van elkaar leren hoe nog beter te functioneren: daar zijn de Roos-dagen een goede gelegenheid voor. Zoek nieuwe samenwerkingsvormen en innoveer.

Wat staat ons te wachten? Na de doorrekeningen door het CBP kiest de VVD voor een bezuiniging van 300 mln. euro  op de publieke omroep. Of de regionale omroepen die nieuwe bezuiniging zullen ontlopen is de vraag. Sander Dekker zei: ‘dat is puur landelijk.’ CDA, GroenLinks en CU ondersteunen de publieke omroepen. Moeten we op landelijke zenders? Nieuwsvensters op landelijke zenders moeten we erbij doen, als de politiek dat vraagt. Onze opdracht is het beste regionale nieuws maken en dat brengen ongeacht welk platform.

Goede journalistiek gebaseerd op feiten helpt ons land verder. Het kabinetsformatiespel begint nu. Hoe dat voor het mediabeleid zal uitpakken is ongewis. We moeten de wil hebben om de beste te zijn. Dat is onze uitdaging.’

 Presentatie Wim DaniĆ«ls

Gastspreker Wim Daniels, Spreekt de regionale omroep de taal van zijn publiek? 

 ‘Ik ben geboren in 1954 in Aarle-Rixtel een dorpje vlakbij Eindhoven, of nog dichterbij Helmond. Een half uur fietsen hier vandaan. Ik ben eentalig opgevoed in het dialect. Dat is opmerkelijk. Een paar jaar nadat ik geboren ben, verscheen er een studie van de Hoge School in Tilburg (nu Universiteit) en die studie heet: De allochtonen in Brabant (1959). Als je dat boek leest dan is dat toch heel opmerkelijk als het gaat om regio’s en regionale omroep. Curieus dat ik in die tijd eentalig in het dialect ben opgegroeid. Want standaard Nederlands bestond er natuurlijk wel. Al sinds 1600. Kranten speelden daarbij een rol. In 1619 verscheen de eerste krant: Courante uit Italiën en Duitsland. Dat was een krant die berichtte over Duitsland en Italië. De statenbijbel heeft een belangrijke invloed gehad (1637) op standaardisering van de taal. De republiek en ook drukkers hebben een belangrijke rol daarin gespeeld. En dat boek: De allochtonen in Brabant dat gaat over mensen uit andere provincies. Er kwam iemand uit Gelderland in Brabant wonen! Dat was toen (1959) heel erg opmerkelijk. Alloch (anders) waren mensen uit andere provincies. De belangrijkste oorzaak van migratie is de mobiliteit. De brommer (1950), scooter en later de auto. Natuurlijk had je al de fiets (1864): Stijn Streuvels heeft daar een fantastisch boek over geschreven: Mijn rijwiel (1915). Hij beschrijft daarin hoe hij heeft leren fietsen. In de jaren vijftig was er ook de caravan. Mensen gingen voor het eerst op pad. Ikzelf nog niet, want voor zover ik me kan herinner zijn mijn ouders maar één keer weg geweest, althans dat probeerden ze. Dan gingen ze met de bus naar Tilburg, en dan zei mijn moeder tegen me vader ga maar kijken of je kaartjes krijgt. Na 10 minuten kwam mijn vader weer terug met de mededeling: ‘ik krijg ze niet.’

Met de auto kwam er ook het bermtoerisme. Wij hadden geen auto, maar gingen langs de kant van de weg zitten. Daar hoorde ook nog een hobby bij. We gingen autonummerborden noteren. Een volstrekt nutteloze hobby. In 1957 heeft de ANWB over het bermtoerisme een brief gestuurd naar de minister van Verkeer en Waterstaat waarin stond: ‘dit kan zo niet langer.’ Sindsdien zijn er parkeerplaatsen langs de wegen gekomen.

In een overzichtje zie je dat in 1900 Brabant 184 gemeenten telde. In 2017 nog 64. Ik ben zelf ook het slachtoffer van deze schaalvergroting. Aarle-Rixtel maakt nu deel uit van de gemeente Laarbeek. Ik had nog voorgesteld om de gemeente Bavaria City te noemen, dat toch veel beter klinkt, maar dat is niet overgenomen. Ik ben geboren in Aarle-Rixtel, niet in Laarbeek. Niemand voelt zich een Laarbeker. Die betrokkenheid bij het dorp vind ikzelf heel belangrijk. Die schaalvergroting is enorm en dat is heel veel invloed voor regionale omroepen. Het is merkwaar dat iemand die in Aarle-Rixtel is opgegroeid en nu weliswaar in Eindhoven woont naar AT5 kijkt. Samen met mijn vrouw waren we een groot fan van De straten van Amsterdam. Dat programma heeft zoveel kracht omdat het alles heel erg klein houdt. Kleiner kan haast niet: de straten van Amsterdam. Ik zou willen dat Omroep Brabant een programma maakt van de Straten van Aarle-Rixtel. De provincie is te groot voor de regionale omroep. De wereld is groter geworden, daarom moet de regionale omroep kleiner denken. De straten van Amsterdam gaat er iemand met een camera erachter door de straten, onbeholpen soms, maar dat hoort erbij. Dat is ook de charme van dat programma, heeft niks te maken met regionale omroep, maar dit is met opzet een beetje eenvoudig gehouden. Fenomenale verhalen van iets heel erg kleins. Misschien moet er ook meer samenwerking komen tussen de regionale omroepen en de lokale omroepen.

Zelf heb ik een boekje geschreven dat heet De groeten uit Brabant, daarvoor ben ik met de fiets door Brabant gereden. Nogal een opgave. Curieuze dingen maakte ik mee. Zo kwam ik in Sint Willebrord terecht en daar zaten mannen op wat ze hier het liegbankje noemen. Oudere mannen zitten daar met elkaar te praten. Ze vroegen: ‘waar kom jij vandaan?’ Ik zeg: ‘uit Eindhoven.’ Waarop zij zeiden: ‘waarom ben je daar dan niet gebleven?’ Ik wil daarmee niet dat regionale omroepen in het dialect programma’s moeten gaan uitzenden. Hoewel ik vaak Omroep Limburg opzet om naar een voetbalverslag te luisteren in het dialect. Dat is werkelijk heerlijk. Maar dialect kan bijna niet meer (Limburgs is daarop nog een uitzondering). Maar hier in Brabant kan dat bijna niet meer. Nu groeit in Aarle-Rixtel nul procent van de kinderen op in het dialect als moedertaal. In de tijd dat ik op de lager school zat (1966 zesde klas) spraken drie kinderen geen dialect (dat waren dan ook kinderen van fabrikanten), de anderen allemaal wel. Ik houd dus geen pleidooi om dialect te spreken op de regionale omroep. Maar wel om een taal dat tot de verbeelding van het publiek spreekt. Je moet de mensen aanspreken. Je moet met de mensen praten: de straten in. Waarom is Omroep Brabant nog nooit op de Lieshoutseweg in Aarle-Rixtel geweest? Spreekt de regionale omroep de taal van het publiek? Dan is dit belangrijk. Natuurlijk ook onderwerpkeuze. Ik zoek die spraakmakende onderwerpen. Tuurlijk nieuws is ook belangrijk. Je hoeft niet al het nieuws af te dekken of het weerbericht te geven, dat doet iedereen al. Je moet spraakmakende programma’s maken, gedurfde keuzes maken.

Een fantastisch boek van Petra Leuenberger Ortsloyalität als verhaltens- und sprachsteuernder Faktor (1999). Betrokkenheid bij de plaats: het dorp, de stad. Dat moeten regionale omroepen doen: opzoek gaan naar het kleine, naar die mensen die die Ortsloyalität voelen. Wat is de doelgroep? Wat spreekt de mensen het meeste aan?

Nabrander over dialecten: het is daarmee slecht gesteld. Dialecten bestaan door de gratie van grenzen. Het kan ook niet anders dat met de toegenomen migratie die dialecten verdwijnen. Sinds in 1951 een televisietoestel in de huiskamer staat, kwam ook de buitenwereld de huiskamer binnen. Nu met internet nog meer. Over veertig jaar is er geen dialect meer en zijn er hooguit nog verschillende klankkleuren over. Limburg is trots op dialect en zal als een van de laatste dialecten overblijven. ‘Houdoe’ staat in de Dikke Van Dale. Zoek de grenzen op als regionale omroep. Houd het klein. Niet de voor de hand liggende onderwerpen nemen. 15 minuten voor het nieuws in een twee uur durend programma, niet meer. En versla die brand klein. Dat nieuws heeft iedereen al tot zich genomen.

Verslag H. Spinhof